Archeologie

Herkennen, behouden en zorgvuldig omgaan met archeologische waarden binnen gemeentelijk beleid en ruimtelijke ontwikkeling.

Overijssel heeft een rijk verleden. Sporen van dit verleden zijn overal in Overijssel te vinden. In ons materiële erfgoed: monumentale gebouwen, in historische binnensteden en op het platteland, in collecties van musea en archeologische sporen. 

Het Steunpunt Cultureel Erfgoed Overijssel ondersteunt gemeenten en de provincie in hun taak om de waarde van het archeologische erfgoed te verankeren in ruimtelijke procedures. Tegelijkertijd denkt het Steunpunt mee om deze waarde tot haar recht te laten komen binnen toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen.

Het Steunpunt geeft daarbij advies en informatie omtrent de bekende en te verwachte archeologische waarden binnen gemeenten en provincie. Belangrijk is ook hoe deze ingezet kunnen worden om het verleden op een vernieuwende en inspirerende wijze voor het voetlicht te brengen. Tevens stimuleert Het Steunpunt kennisuitwisseling tussen de diverse overheden binnen de provincie. 

Wil je meer informatie over ruimtelijke procedures en archeologisch erfgoed, neem dan contact op met een van onze adviseurs of lees de veel gestelde vragen onderaan deze pagina.

Lunchlezing archeologie op locatie

Naast individuele advisering bieden wij ook de mogelijkheid om intern bij de gemeente een korte lunchlezing over archeologie te organiseren.

Tijdens deze bijeenkomst gaan we in op actuele ontwikkelingen, veelvoorkomende vraagstukken en praktische afwegingen binnen de gemeentelijke praktijk. Denk aan archeologie in het omgevingsplan, vrijstellingsgrenzen, omgang met behoud in situ of de rol van archeologie in ruimtelijke projecten. De lunchlezing helpt om kennis te delen binnen de organisatie en om tot een gezamenlijke werkwijze te komen.

Wil je hier meer over weten? Neem dan contact op met de steunpuntcoördinator voor informatie over de mogelijkheden en planning.

Veel gestelde vragen

Deze FAQ over archeologie geeft antwoord op veelgestelde vragen van gemeenten over archeologische waarden, onderzoeksplicht en de rol van archeologie in ruimtelijke plannen. Je vindt hier praktische uitleg over wet en regelgeving, procedures en afwegingen, zodat archeologie op een zorgvuldige en werkbare manier kan worden meegenomen in beleid en besluitvorming.

Archeologie houdt zich bezig met het onderzoeken en beschermen van sporen uit het verleden die in de bodem aanwezig zijn. Voor gemeenten betekent dit het zorgvuldig omgaan met archeologische waarden bij ruimtelijke plannen en bodemverstorende ingrepen, zodat het bodemarchief behouden blijft of op de juiste manier wordt onderzocht.

Wanneer in Nederland wordt gebouwd of gegraven, is in de meeste gevallen een vergunning nodig. De overheid die deze vergunning verleent, wordt aangeduid als het bevoegd gezag. Vaak is dit de gemeente, maar afhankelijk van de aard en locatie van het plan kan ook de provincie of het Rijk bevoegd gezag zijn.

Rol van het bevoegd gezag bij archeologie

Het bevoegd gezag stelt beleidskaders op en beslist op basis daarvan of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ook bepaalt het hoe moet worden omgegaan met behoudenswaardige archeologische vindplaatsen wanneer deze worden aangetroffen. Daarnaast ziet het bevoegd gezag toe op de kwaliteit van het archeologisch onderzoek, onder andere door het toetsen van rapportages en programma’s van eisen. In sommige gevallen stelt het bevoegd gezag zelf een programma van eisen op en is het verantwoordelijk voor de handhaving van de vergunning. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd volgens de AMZ-cyclus.

Wie is wanneer bevoegd gezag

Het Rijk is bevoegd gezag wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor activiteiten op een archeologisch rijksmonument. Het Rijk wordt hierbij vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
De provincie is bevoegd gezag bij ontgrondingen, milieueffectrapportages, inpassingsplannen en projecten die onder de Tracéwet vallen. In alle overige gevallen is de gemeente bevoegd gezag.

Bescherming van archeologisch erfgoed

Elke bevoegde overheid heeft de taak het archeologisch erfgoed in de ondergrond te beschermen. Daarvoor dient beleid te worden opgesteld waarin is vastgelegd hoe met dit erfgoed wordt omgegaan. Binnen deze kaders heeft het bevoegd gezag beleidsruimte om eigen keuzes te maken voor de archeologische monumentenzorg.

Archeologiebeleid en beleidskaarten

Een goed onderbouwd archeologiebeleid is gebaseerd op kennis van aanwezige en verwachte archeologische resten. Gemeenten laten hiervoor archeologische waarden- en verwachtingskaarten opstellen. Deze vormen de basis voor de archeologische beleidskaart en de bijbehorende regels.

Verankering in ruimtelijk beleid

Het archeologiebeleid wordt ruimtelijk-juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan en de daaraan gekoppelde beleidsregels, en onder de Omgevingswet in het omgevingsplan. Elke vergunningaanvraag of ontwikkeling wordt getoetst aan deze regels. Het is daarbij belangrijk dat de archeologische waarden- en verwachtingskaart en het bijbehorende beleid regelmatig worden geactualiseerd.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels rond cultureel erfgoed gewijzigd. Op het gebied van de archeologie zijn er drie wijzigingen die de grootste impact hebben, wat betreft de vergunningverlening voor archeologische rijksmonumenten, de omgeving van beschermde monumenten en de bevoegdheden rond archeologische toevalsvondsten. Voor detailinformatie zie https://iplo.nl/thema/erfgoed/verandert/

Wanneer archeologisch onderzoek nodig is in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, bijvoorbeeld bij bouwplannen of infrastructurele werkzaamheden, wordt dit uitgevoerd volgens de vaste stappen van de AMZ-cyclus (Archeologische Monumentenzorg). Deze werkwijze is vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

Doel van archeologisch onderzoek

Het doel van archeologisch onderzoek is om vast te stellen of er archeologische resten aanwezig zijn, wat de aard daarvan is en of deze behoudenswaardig zijn. De cyclus start met het inventariseren van mogelijke archeologische waarden.

Bureauonderzoek als eerste stap

Het onderzoek begint altijd met bureauonderzoek. Daarbij wordt gebruikgemaakt van bestaande informatie, zoals eerder uitgevoerd onderzoek, bodemgegevens, landschappelijke ligging en bekende verstoringen. Op basis daarvan wordt per periode een archeologische verwachting opgesteld.

Wanneer vervolgonderzoek nodig is

Blijkt uit het bureauonderzoek dat de bodem recent sterk is verstoord en de kans op archeologische resten laag is, dan is vervolgonderzoek niet nodig. Is de verwachting middelhoog of hoog, dan volgt inventariserend veldonderzoek.

Inventariserend veldonderzoek met boringen

Inventariserend veldonderzoek wordt vaak eerst uitgevoerd door middel van grondboringen. Boringen worden gebruikt om de archeologische verwachting te toetsen en te verfijnen. Ze geven inzicht in de mate van bodemverstoring en in de landschappelijke opbouw, zoals het verschil tussen natte en droge omstandigheden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen inventariserend, karterend en waarderend booronderzoek.

Proefsleuvenonderzoek

Naast booronderzoek kan ook proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Hierbij worden op steekproefbasis sleuven of putten gegraven om vast te stellen of archeologische resten aanwezig zijn en om te bepalen om wat voor type vindplaats het gaat. De resten worden onderzocht tot het niveau waarop voldoende duidelijkheid is verkregen.

Waardering en selectiebesluit

Op basis van het inventariserend veldonderzoek wordt een waardering opgesteld. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een selectiebesluit. Hierin wordt bepaald of het plangebied kan worden vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden of dat sprake is van een behoudenswaardige vindplaats.

Behoud in situ of ex situ

Wanneer een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is, gaat de voorkeur uit naar behoud in situ, waarbij de vindplaats in de bodem behouden blijft. Is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld vanwege de aard van het project, dan kan worden gekozen voor behoud ex situ. Hierbij wordt de vindplaats opgegraven, gedocumenteerd en worden de vondsten ondergebracht in een provinciaal of gemeentelijk depot. Omdat bij opgraving altijd informatie verloren gaat, heeft behoud in situ de voorkeur.

Afronding van het onderzoek

Alle archeologische onderzoeken moeten binnen twee jaar worden afgerond en gerapporteerd. Ook moeten de vondsten en het rapport in het depot zijn opgenomen. Met deze deponering is het onderzoek formeel afgerond en is de AMZ-cyclus voltooid.

Een gemeente kan besluiten een bijzonder gebouw of een archeologische vindplaats aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit gebeurt wanneer het object van lokaal of regionaal belang is. Bij deze aanwijzing staat het behoud van de monumentale waarde centraal. Daarom gelden er aanvullende regels voor het gebruik, de instandhouding en eventuele aanpassingen van het monument. Ook kunnen er subsidiemogelijkheden zijn, bijvoorbeeld voor onderhoud. De regels en richtlijnen voor gemeentelijke monumenten zijn vastgelegd in de gemeentelijke monumentenverordening en worden, sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, opgenomen in het omgevingsplan.

Naast gemeentelijke monumenten bestaan er archeologische rijksmonumenten. Dit zijn archeologische vindplaatsen die van nationaal belang zijn en daarom beschermd worden voor toekomstige generaties. In Nederland gaat het om ongeveer 1.500 archeologische rijksmonumenten, waarvan 117 in Overijssel.

Onder de Omgevingswet zijn gemeenten in bepaalde gevallen het bevoegd gezag voor vergunningverlening bij archeologische rijksmonumenten. Dit geldt voor zogenoemde meervoudige aanvragen, bijvoorbeeld wanneer een archeologische rijksmonumentenactiviteit wordt gecombineerd met een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. In deze situaties heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, een advies- en instemmingsrecht.

Bij enkelvoudige aanvragen, waarbij uitsluitend sprake is van een archeologische rijksmonumentenactiviteit zoals verstoren, slopen, functiewijziging of aanpassen, is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het bevoegd gezag. Deze bevoegdheid wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Gemeenten zijn in Nederland verantwoordelijk voor het archeologisch erfgoed dat zich in de bodem bevindt. Om deze verantwoordelijkheid goed uit te voeren, stellen zij beleid en regels op waarin is vastgelegd hoe wordt omgegaan met archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen en bodemverstoringen.

Archeologische verwachtingskaarten

Als basis voor dit beleid worden archeologische verwachtingskaarten gebruikt. Deze kaarten geven voor het hele gemeentelijke grondgebied een inschatting van de archeologische verwachting. Daarbij wordt gekeken naar factoren zoals bodemopbouw, geomorfologie, bestaande archeologische kennis en het (sub)recente gebruik of eerdere bodemverstoringen. Meestal wordt onderscheid gemaakt tussen zones met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting.

Beleidsregels en vrijstellingsgrenzen

Aan de verwachtingszones zijn beleidsregels gekoppeld. Deze regels bepalen wanneer archeologisch onderzoek verplicht is en wanneer vrijstelling geldt. Zo kan worden vastgelegd dat archeologisch onderzoek volgens de AMZ-cyclus nodig is, tenzij er niet dieper wordt gegraven dan een bepaalde diepte onder het maaiveld en het plangebied kleiner is dan een vastgestelde oppervlakte. De vrijstellingsgrenzen verschillen per verwachtingszone en kunnen regionaal variëren.

Vastlegging in het ruimtelijk plan

De archeologische beleidsregels worden juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan of, onder de Omgevingswet, in het omgevingsplan. Vergunningaanvragen en ontwikkelingen worden aan deze regels getoetst.

Landelijke richtlijn bij ontbreken van beleid

Wanneer een gemeente geen specifiek archeologiebeleid heeft vastgesteld, geldt de landelijke richtlijn van het Rijk. In dat geval is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld.

Bij de aanvraag van een vergunning voor werkzaamheden toetst de gemeente of rekening moet worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het plangebied. Deze toetsing vindt plaats aan de hand van het omgevingsplan of bestemmingsplan en de bijbehorende archeologische waarden- en beleidskaart.

Omgevingsplan en beleidskaart

Omgevingsplannen en bestemmingsplannen zijn in te zien via Regels op de kaart van de Omgevingswet. De archeologische beleidskaart is daarnaast vaak te vinden op de website van de betreffende gemeente. Samen geven deze documenten inzicht in de archeologische verwachting en de regels die daarvoor gelden.

Wanneer is archeologisch onderzoek nodig

In het omgevingsplan of bestemmingsplan is meestal vastgelegd dat bij grondingrepen groter dan een bepaalde oppervlakte en vanaf een bepaalde diepte een archeologisch rapport moet worden aangeleverd bij de vergunningaanvraag. De genoemde oppervlakte en diepte zijn afgestemd op de archeologische verwachting van het plangebied.

Aanvraag via het Omgevingsloket

Bij het indienen van een vergunningaanvraag via het Omgevingsloket geeft de initiatiefnemer zelf aan of een archeologisch rapport moet worden toegevoegd. De beoordeling daarvan maakt onderdeel uit van de vergunningprocedure.

Vroegtijdige afstemming bij grotere projecten

Bij grotere of complexere projecten is extra afstemming met de gemeente vaak wenselijk. Afhankelijk van de omvang en locatie van de ontwikkeling kan het waardevol zijn om al in de ontwerpfase inzicht te hebben in de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden. Dit kan bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en helpt om archeologische waarden waar mogelijk in de bodem te behouden.

Omdat archeologie gaat over tastbare resten uit het verleden, leent het zich bij uitstek voor educatie en publieksbereik. Opgegraven vondsten kunnen worden vastgehouden, bekeken en onderzocht. In een archeologieles kunnen kinderen het verleden letterlijk in handen krijgen. Daarnaast is archeologie altijd te verbinden aan de lokale situatie, omdat archeologische resten overal voorkomen en direct gekoppeld zijn aan de geschiedenis van een plek.

Betrokkenheid bij het lokale verleden

Door binnen de gemeente aandacht te besteden aan bijzondere archeologische vondsten en locaties, worden inwoners actief betrokken bij hun lokale verleden. Dit vergroot het draagvlak voor archeologie en archeologisch onderzoek en versterkt het gevoel van verbondenheid met de eigen omgeving en geschiedenis, ook wel aangeduid als sense of place.

Praktische vormen van publieksactiviteiten

Gemeenten kunnen op verschillende manieren aandacht besteden aan archeologie. Denk aan het organiseren van open dagen bij archeologische opgravingen, het plaatsen van informatiepanelen op archeologisch interessante locaties, het stimuleren van burgerinitiatieven of het ontwikkelen van thematische fiets- en wandelroutes. Ook het delen van informatie over recent archeologisch onderzoek via de gemeentelijke website of het inrichten van een vitrine met vondsten in bijvoorbeeld het stadskantoor zijn laagdrempelige middelen met een groot bereik. Deze activiteiten zijn relatief eenvoudig te realiseren en hebben een brede impact op de beleving van het verleden door inwoners en bezoekers.

Archeologie in het onderwijs

Archeologie kan ook een waardevolle rol spelen in het onderwijs. Er zijn diverse lesbrieven beschikbaar die direct in de klas gebruikt kunnen worden. Daarnaast zijn er aanbieders die archeologielessen op scholen verzorgen en bieden veel musea educatieve bezoekprogramma’s aan. Ook bij het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten kunnen basisscholen en het voortgezet onderwijs deelnemen aan praktische archeologielessen. Deze lessen zijn gratis toegankelijk voor groep 5 tot en met 8 van het basisonderwijs en de eerste klas van het voortgezet onderwijs.